Stel, u gelooft in de oerknal. Vraagt u zich wel eens af waarom die niet perfect is verlopen? Ik wel! Met perfect bedoel ik dan dat een perfect ronde oerklont met een precisie die, zoals wij nu weten alleen in de mathematica voorkomt, vanaf tijdstip nul tot oneindig, perfect puntsymetrisch (allerlei opgerolde dimensies en parallelle universums daargelaten) uitelkaar is geploft. We kunnen allemaal zien dat dat niet het geval is en daaruit concluderen dat het ontstaan van ons universum vanaf het allereerste moment al in de oersoep is gelopen. Althans voor diegenen die in iedere afwijking van perfectie – wat dat ook moge zijn – een fout zien.
Zijn we een mislukt experiment van een of andere Deïteit of een schitterend ongeluk, zoals de na zijn interview met John Coetzee nooit meer helemaal herstelde Wim Kaiser opperde? Ik weet het niet, maar ik vraag me wel af wat de oerfluctuatie heeft veroorzaakt waardoor de hele santenkraam over elkaar heen is gedonderd en uiteindelijk, toen de stofwolken op waren getrokken, in staat bleek zichzelf te organiseren tot hetgeen we nu om ons heen zien. Misschien heeft Zijne omnipotentie (er waren toen nog geen vrouwen, dat weet ik zeker) bewust zijn equivalent van een vinger in de perfecte schepping gestoken, als een spaak in het voorste wiel van het op de finish aanstormende peloton. Gewoon, effe kijken wat er gebeurt.
Zo bekeken is de Goddelijke vonk, de Heilige kink in de kabel van de oersaaie perfectie, het ontstaan van diversiteit door de imperfectie van de oerknal. Dus kom niet aan met dat het allemaal intelligent design is. Niemand had zoiets als – ik noem maar wat – Glitter Glamour Gordon en de toppers kunnen bedenken. Hoe ‘intelligent’ zou dat zijn? Nee, het zijn juist de paradijsvogels die evolutie bevestigen. In ons universum is perfectie de anomalie en evolutie het basale organisatorisch paradigma, met diversiteit (of het ontbreken van perfectie) als condicio sine qua non. Misschien zult u zeggen, “Tuurlijk, diversiteit is belangrijk. Wij hebben er speciaal iemand voor aangenomen. Die managet het allemaal keurig, want ik zie steeds meer allochtonen en vrouwen bij ons rondlopen.” Dan zal het u verbazen dat dat niet is wat ik bedoel.
Laat ik het, voordat mijn uiteraard zeer gerespecteerde doch toch al vrij selecte lezersgroepje zich geheel van mij afkeert, met een voorbeeld proberen toe te lichten. In de Wetenschap bijlage van het VK van 11 juni 2011 stond een artikel waaruit blijkt dat ik geen open deur sta in te trappen. In dat paginagrote artikel wordt ons namelijk als een revelatie openbaard dat steeds meer biologen denken dat dieren een eigen karakter hebben en dat dat niet slechts een menselijke projectie is. Wie had dat zonder bewijs willen geloven?
Ik citeer: “[...] Wetenschappers hielden zich altijd verre van deze ‘vermenselijking’. Ten onrechte, zo blijkt de laatste jaren. Dierpersoonlijkheden lijken de regel en niet de uitzondering. [...] Het best onderzocht is de koolmees: ‘Wij vinden hier een breed scala aan gedragingen,’ zegt Kees van Oers, die promoveerde op koolmeespersoonlijkheden [...] In zijn huidige onderzoek probeert hij variatie te verklaren. Hij zoekt daarvoor bij grote aantallen koolmezen naar verbanden tussen genvariaties en specifieke karakters. [...] ‘Gedragsbiologen bekeken een soort doorsnee dier,’ zegt de theoretisch bioloog Weissing. ‘Ze bestudeerden dus het gemiddelde gedrag, maar in werkelijkheid kan dat individueel sterk afwijken.’ Van Oers beaamt dit: ‘Vroeger zag men variatie in gedrag tussen individuen als ruis. Er is een optimale manier om iets te doen, dus iedereen die afwijkt is fout.’ [...]”
Zo gaat het nog een tijdje door, volgens een wiskundig model zou het gedrag van dieren bepaald worden door wat ze te ‘verliezen’ hebben. Bijvoorbeeld als ze “in de toekomst nog veel nageslacht verwachten, gedragen ze zich voorzichtiger dan individuen zonder vooruitzichten.” Dat van die individuen zonder vooruitzichten herken ik wel, maar zouden dieren aan gezinsplanning doen? De vraag waar men mee blijkt te zitten is welke voorwaarden nodig zijn om de verschillende persoonlijkheden te laten ontstaan, de variatie laten we maar zeggen. Bij onderzoek naar stekelbaarzen heeft ene Dingemanse aanwijzingen gevonden dat “omgevingsfactoren [...] essentieel zijn.”
Wat ik me afvraag is: als Weissing stelt dat hij nooit heeft getwijfeld dat dierpersoonlijkheden bestaan – ‘Ik kom van een kleine boerderij, daar ken je alle dieren van dichtbij.’ – wat is dan de waarde van wetenschap? Of beter, wat is de waarde van wetenschappelijke methoden, als de realiteit zoals iedereen die kan waarnemen wordt vervangen door een model waarin geen plaats is voor het universele ordeningsprincipe: evolutie? Zonder welke er niets zou zijn dan perfect uitdijende materie/ruimte, laat staan homo rationale en zijn wetenschappelijke methode? Zo gezien lijkt wetenschap steeds meer op een zoektocht naar het grote ‘intelligent’ design van een almachtig opperwezen. Read less
Log in or register to post a comment.